Viewing posts categorised under: Risicoprofiel

Plofderivaten ‘Paard van Troje’?

plofderivaten, Rentederivaten, risicoprofiel, woningcorporaties

volkskrant_logo_zwIn de Volkskrant van 18 februari 2015 wordt uitgebreid geschreven over een onderzoek van justitie naar fraude bij drie woningcorporaties. In het kielzog van de derivatenfraude bij woningcorporatie Vestia is justitie op een nieuwe zaak gestuit. Corporaties zouden het slachtoffer zijn geworden van ‘fraude en omkoping’ door adviseurs en bemiddelaars in derivaten en leningen.

De drie woningcorporaties die hiervan de dupe zijn geworden zijn Portaal, Wonen Limburg en De Woonplaats. Uit onderzoek van Cadension blijkt, dat twee van deze drie woningcorporaties Extendible leningen hebben afgesloten.  Nu zijn er vanzelfsprekend wel meer overeenkomsten tussen deze woningcorporaties. Waarom is juist deze overeenkomst zo interessant?

Plofderivaten

In diverse eerdere artikelen van Cadension over extendible leningen (ook wel tijdvakleningen genoemd), is uitgelegd waarom deze leningen zondermeer niet geschikt zijn voor woningcorporaties. In ruil voor een lage rente gedurende de eerste periode, loopt de woningcorporatie juist een risico voor de tweede periode. Daardoor wordt zij gevoelig voor een rentedaling, en zijn risico’s voor een rentestijging juist niet afgedekt. Dat strookt niet met het renterisicoprofiel van woningcorporaties, waar een groot deel van de bedrijfskosten uit financieringslasten bestaat. Om die reden heb ik deze leningen ook al als ‘plofderivaten’ bestempeld. Daarnaast is de extendible lening een totaalproduct met dezelfde onderdelen als de derivatenconstructie die Vestia had, waardoor zij in de problemen kwam.

Hoge marges

De grote vraag is waarom deze leningen dan zijn aangetrokken door woningcorporaties, als objectief is vast te stellen dat ze niet geschikt zijn?  Steeds meer blijkt, dat woningcorporaties die met fraude, steekpenningen of verscherpt toezicht van het CFV te maken hebben, op de lijst van woningcorporaties staan die extendible leningen hebben. Deze lijst heeft Cadension opgesteld op basis van onderzoek naar de jaarverslagen over 2013 van woningcorporaties. En aangezien ‘gestructureerde producten’ (zoals de extendible lening) zeer hoge marges voor de bank en tussenpersonen bevatten (zo zei Arjen Greeven tijdens zijn publieke verhoor tijdens de parlementaire enquete), is het bijna noodzakelijk om te onderzoeken of deze ongeschikte producten als een ‘paard van Troje’ kunnen hebben gediend; het komt als een gewone lening binnenrijden bij de woningcorporatie, maar kan vervolgens een middel blijken om zeer hoge marges en oneigenlijke betalingen mogelijk te maken.

Renteswaps en aspirines

AFM, Rentederivaten, Renteswaps, risicoprofiel

‘Opslagverhogingen zijn bedrog’. ‘Negatieve waarde moet worden kwijtgescholden’. Zomaar een paar uitspraken die je regelmatig hoort in de discussie rondom MKB’ers die problemen hebben met rentederivaten. Los van het taalgebruik, er is inderdaad veel misgegaan bij rentederivaten. Maar ik kan u vertellen: het rentederivaat zelf is niet het probleem!

Pijn

Vergelijk het met het volgende. Een huisarts krijgt dagelijks patiënten in zijn praktijk die met pijnklachten te kampen hebben. Buikpijn, hoofdpijn, stekende pijn in de hartstreek, een sportblessure aan de knie, enzovoort. Al die patiënten schrijft hij hetzelfde medicijn voor, aspirine. Drie maal daags één tablet.

Het spreekt voor zich dat dit niet bij alle patiënten het gewenste resultaat zal hebben. De patiënt met een sportblessure aan zijn knie zal bijvoorbeeld weinig baat hebben van de aspirine-kuur. Bovendien blijkt dat toevallig hij van deze specifieke aspirine last heeft van een bekende bijwerking, namelijk verlies van reactievermogen.

Bijwerkingen

Wat ik nu steeds meer zie gebeuren bij behandeling van rentederivaten, is dat deze huisarts dan aansprakelijk wordt gesteld voor de schade van die bekende bijwerking. In het geval van deze patiënt betekent dat een volledige vergoeding van de taxi-kosten die hij heeft moeten maken, omdat hij een tijd lang niet zelf met de auto naar zijn werk kon gaan. Als dat inderdaad wordt vergoed, dan wordt gesproken van een succesvolle zaak. Niets is natuurlijk minder waar.

Kwaliteit diagnose

Het is juist cruciaal om de kwaliteit van de diagnose van de huisarts onder de loep te nemen. Heeft hij de knie van de patiënt goed onderzocht, heeft hij de juiste controle-vragen gesteld? Heeft hij getest bij welke beweging hij het meeste pijn heeft? En: heeft hij aan de patiënt gevraagd of hij een prof-voetballer is, of een rustige amateur-sporter? Ofwel, hoe groot is het risico als het niet snel wordt opgelost?

Als hij dat niet goed heeft gedaan, dan kan hij daarop worden aangesproken. En kan vervolgens geanalyseerd worden wat de gevolgen zijn van zijn slechte diagnose. En die gevolgen kunnen in dit voorbeeld voor een prof-voetballer groter zijn dan voor een amateur-sporter, zowel fysiek als financieel.

Een maand lang geen basisplaats in de Eredivisie en onnodig kwetsbare kniebanden voor de rest van zijn carrière is een hele andere orde van schade dan een vergoeding voor taxi-kosten. Dat laatste blijkt in die context slechts een Pyrrus-overwinning te zijn geweest.

Standaard product, maar maatwerk advies

Om een klacht met rentederivaten serieus en in de volle omvang aan te pakken, moet je dus niet alleen deskundigheid hebben van aspirines (en de bijwerkingen). Je moet tenminste dezelfde kennis en ervaring hebben als een goede huisarts om de kwaliteit van de diagnose van een huisarts te kunnen beoordelen.

Rentederivaten blijken vaak, net als in dit voorbeeld, de standaard medicatie van de bankier te zijn geweest. Maar het probleem zit niet zozeer in die renteswap; het zit in de verkeerde diagnose. Neem daarom een huisarts in de arm voor het oplossen van problemen met rentederivaten. Een derivaten dokter!

Lakmoesproef voor rentederivaten

AFM, Nieuws, plofderivaten, Rentederivaten, Renteswaps, risicoprofiel

Wanneer het gaat over rentederivaten, gaat het ook al snel om regelgeving. Want waar uitwassen zijn, wordt al snel naar de overheid en toezichtshoudende instanties gekeken om in te grijpen. En die uitwassen zijn er zeker bij het gebruik van rentederivaten, zowel in de (semi)publieke als de private sector. Met vaak een grote financiële impact.

Nu is regelgeving lang niet altijd een goede oplossing. Het heeft namelijk het risico dat het zelfdenkend vermogen van de gebruiker op een laag pitje wordt gezet; die houdt zich aan de regels en leeft in de veronderstelling dat daarmee alles in orde is. Dat is bewuste of onbewuste risico-blindheid. In sommige gevallen kan ingrijpen echter wel zinvol zijn.

Gok-element

Zo zijn er diverse rentederivaten in omloop waarvan objectief kan worden vastgesteld dat ze niet passen bij het effectief beheersen van renterisico’s. Een sprekend voorbeeld daarvan zijn de zogenaamde ‘extendible leningen’, eerder ook al leningen met ingebouwde ‘plofderivaten’ genoemd. Deze komen vooral veel voor in de (semi)publieke sector, zoals woningcorporaties, maar ook in de private sector. Het product klinkt heel vriendelijk, namelijk als een lening die je kunt verlengen. Maar aangezien dat recht tot verlengen alléén bij de bank ligt, is deze lening ineens een stuk minder vriendelijk. De bank maakt alleen gebruik van dat recht (een swaption) als dat in haar voordeel is; en dat is per definitie het geval als het voor de klant nadelig is. Als de rente is gedaald, zal de bank verlengen; als de rente daarentegen stijgt, zal dat niet gebeuren. Dat heeft dus niets te maken met het beheersen van het risico van een rentestijging, wat een belangrijk risico is voor woningcorporaties. Sterker nog, het doet het tegenovergestelde. Van zo’n product zou je eenvoudig kunnen vaststellen dat het niet ingezet mag worden bij bedrijven en instellingen die gevoelig zijn voor rentestijgingen. Voor woningcorporaties staat dit product daarom inmiddels op de zwarte lijst.

Een variant op de ‘extendible lening’ is de ‘cancelable swap’. Dat is een swap die vroegtijdig beëindigd kan worden. In de versie die banken verkochten, lag dat recht bij de bank. En ook hier zal de bank alleen gebruik maken van dat recht, als dat in haar voordeel is, en dus in het nadeel van de klant. Zelfde verhaal.

Er zijn ook meer exotische varianten verkrijgbaar in de markt. Zoals de Zero Cost Knock-In Collar (ook wel Super Collar genoemd). Deze optieconstructie werd verkocht om de klant te beschermen tegen een rentestijging en is een variant op de ‘gewone’ collar. Dat is een combinatie van een gekochte optie (de ‘cap’, ofwel renteplafond) en een verkochte/geschreven optie (de ‘floor’, ofwel minimum rente). Maar bij de Zero Cost Knock-In Collar wordt het pas echt exotisch als de ‘knock-in’ functie gaat werken. Als de variabele rente namelijk onder het floor-niveau zakt, moet de klant een boete betalen. Hij moet dan niet die minimum-rente vanwege die floor betalen, maar nog een extra opslag van bijvoorbeeld 1%. Daardoor is de klant juist extra gevoelig geworden voor een rentedaling.

Rentevisie

Dit zijn een aantal voorbeelden van producten die in feite vereisen dat de gebruiker een zeer scherpe en uitgesproken rentevisie heeft. Zo is het alleen interessant om een extendible lening af te sluiten als je verwacht dat de relevante rente voor het tweede tijdvak uiteindelijk gelijk zal zijn aan de afgesproken rente voor die periode. Alleen in dat scenario ondervindt de klant geen nadeel van deze optie, terwijl hij wel het voordeel geniet in het eerste tijdvak. In elk ander scenario zit hij óf opgescheept met een hoger dan marktconforme rente, óf is hij blootgesteld aan een gestegen rente.

Een Zero Cost Knock-In Collar zou alleen interessant kunnen zijn voor klanten die verwachten dat de rente beperkt zal dalen en daarvan dusdanig overtuigd zijn, dat ze bereid zijn een boete te betalen als de rente verder daalt dan zij verwachten. Dat vraagt al snel een zeer professionele rentevisie van de klant; als hij die niet heeft, wordt het kopen van zo’n product een blinde gok. En kan oprecht de vraag worden gesteld of in dat product het gok-element uiteindelijk een grotere rol speelt dan het risicobeheersing-element.

Risicovisie

Het beheersen van renterisico’s zou los moeten staan van het hebben (of opleggen) van een rentevisie. Het actief inspelen op een specifieke rentevisie krijgt al snel het karakter van een speculatie. Risicobeheersing is juist een kwestie van het managen van onzekerheden. Als je vandaag een financiering sluit tegen een variabele rente, ben je gevoelig voor een rentestijging, ongeacht wat jouw rentevisie (of die van de bank) is. Want die visie kan onjuist blijken te zijn, waardoor het risico zich manifesteert. Wat wel relevant is, is om een inschatting te maken hoe groot het renterisico is (in termen van impact op de winst), zowel in euro’s als in looptijd. Risicobeheersing vraagt om een risico-visie, niet om een rentevisie.

Lakmoesproef

Er is dus zeker wat te zeggen voor een verbod op producten die qua werking niet (of niet goed) aansluiten bij het renterisico van de klant. Zo’n verbod kan gekoppeld worden aan specifieke doelgroepen of sectoren. Een lakmoesproef voor dit soort rentederivaten kan heel eenvoudig zijn. Voor de toelating van financiële producten wordt nogal eens de vergelijking met de farmaceutische industrie gemaakt, waarbij medicijnen eerst door  een uitgebreid test-circuit moeten gaan, voordat ze op de markt worden gebracht. Die vergelijking gaat mank omdat de lakmoesproef voor dit soort rentederivaten door experts kan worden vastgesteld; daar zijn geen proefpersonen en onderzoeken naar onbekende bijwerkingen voor nodig. Jarenlange testen zijn daarom niet nodig.

 

Dijsselbloem niet ‘in control’

AFM, Rentederivaten, Renteswaps, risicoprofiel

Minister Dijsselbloem heeft schriftelijk gereageerd naar de Tweede Kamer, naar aanleiding van vragen die door de diverse fracties zijn gesteld over de herbeoordeling van de rentederivaten in het MKB en de voortgang daarin. Dat geeft -weer-  een aantal interessante inzichten. En dat geeft nogal eens een schrijnend beeld.

Onvolledige klantdossiers

Zo geeft Dijsselbloem aan dat herbeoordeling van derivatendossiers plaatsvindt “op basis van hetgeen is vastgelegd in klantdossiers”. Eerder constateerde AFM al dat de banken hun klantdossiers niet goed op orde hebben. De praktijk wijst dat ook uit. Cruciale informatie, die bepalend is voor de advisering destijds door de bank, ontbreekt vaak in de dossiers van de bank. Zo bleek een herhaald (schriftelijk) verzoek van een klant om vervroegd zijn renteswap af te kopen, niet in het dossier van de bank te zitten. Of maakt een analyse van het specifieke renterisico van de klant geen deel uit van het dossier van de bank. De conclusie is duidelijk: als een bank (en vervolgens ook de AFM als toezichthouder) op basis van zo’n onvolledig dossier een herbeoordeling doet, dan is die herbeoordeling per definitie ook onvolledig.

Kwetsbare klantgroepen

Verder  geven de banken bij de herbeoordeling “voorrang aan de meest kwetsbare klantgroepen”. Door de banken wordt dit vertaald naar product(kenmerken); dat is dus niet de klant centraal, maar het product centraal. “Het gaat hier om dan om klanten met een zogenaamde overhedge (rentederivaat komt in hoogte of looptijd niet overeen met het krediet), klanten die in bijzonder beheer zijn ondergebracht en klanten die een complex rentederivaat hebben afgesloten”. Zo’n situatie is inderdaad ongewenst. Maar wat te doen met klanten die géén overhedge hebben en die géén complex rentederivaat hebben afgesloten (hoewel voor het MKB élk rentederivaat complex is), maar waar het rentederivaat onterecht of onjuist geadviseerd is? Bijvoorbeeld omdat hij geen renterisico had? Of het beter met een ander product had kunnen afdekken? De meest kwetsbare klant in mijn praktijk voldoet aan geen van de criteria die banken stellen voor de ‘kwetsbare groep’. En geloof me, deze klant is uitermate kwetsbaar. En deze klant is nog niet benaderd door de bank over de herbeoordeling van zijn rentederivaat. Hij krijgt geen reactie van de bank als hij daar herhaaldelijk expliciet naar vraagt, inmiddels acht weken geleden.

Wettelijke eisen

Zeer belangrijk is de volgende passage in de brief: “Banken hebben bijvoorbeeld nagelaten om in de herbeoordeling vast te stellen in hoeverre het product vanaf het begin van de dienstverlening passend was en of de informatieverstrekking aan de klant voldeed aan de wettelijke eisen.” Juist in die beginfase is het vaak mis gegaan. Er blijken vaak onvoldoende of ondeskundige analyses door de bank te zijn gemaakt om vast te stellen wat precies het renterisico van de klant was en hoe dat het best afgedekt kon worden. De informatieverstrekking was vaak ontoereikend, zoals ook AFM en diverse rechtbanken inmiddels bevestigen. En AFM heeft in februari van dit jaar al gezegd: “Handelen in het belang van de klant gaat soms verder dan de wettelijke verplichting”. In dat licht is het opmerkelijk dat AFM nu dan vooral kijkt naar alleen het naleven van de wettelijke normen.

Banken krijgen onderhandelingsruimte

De aandacht richt zich nu op de rentederivaten die op 1 april 2014 uitstonden bij niet-professionele MKB’ers. “Op dit moment zijn de AFM en de banken nog in overleg over hoeveel verder banken terug zullen kijken in de tijd”. Het is niet duidelijk waarom de minister en AFM hierin geen duidelijk standpunt innemen richting de banken. Als door AFM eerder al is vastgesteld dat de kwaliteit van dienstverlening rondom rentederivaten ontoereikend was, dan zou in principe elk rentederivaat dat tot nog toe in deze eeuw is afgesloten, moeten worden onderworpen aan een herbeoordeling.

Verder valt op dat bij de inrichting van het loket voor rentederivaten bij Kifid, de gesprekken (en dus onderhandelingen) tussen een zeer beperkt aantal partijen plaatsvindt: Kifid, banken en MKB Nederland. Het is opmerkelijk dat de banken hier direct aan tafel zitten, als verkopende partij van rentederivaten. In hoeverre beïnvloedt dat de onafhankelijkheid van Kifid? En waarom zit bijvoorbeeld niet AFM en/of het ministerie van Financiën, aanjagers van deze herbeoordelingen, aan tafel? Dat creëert een beeld van een verdachte die het functieprofiel van zijn eigen rechter bepaalt en bovendien in de selectiecommissie zit.

Britse toezichthouder

Dijsselbloem schrijft dat AFM in het Verenigd Koninkrijk op bezoek is geweest bij haar evenknie, de FCA, om ervaringen te delen. Helaas heeft AFM van die gelegenheid geen gebruik gemaakt om ook met andere betrokken partijen te praten, zoals bijvoorbeeld Bully Banks. Zij hadden AFM zeer waardevolle input en kanttekeningen kunnen geven bij het systeem van herbeoordelingen in de UK. Dan had AFM gehoord dat ook in de UK gebrekkige klantdossiers bij banken leiden tot onvolledige beoordelingen. En dat het onterecht is dat alleen ‘niet professionele’ MKB’ers in het onderzoek worden betrokken. De inzichten die AFM daarmee had kunnen krijgen, hadden ongetwijfeld bijgedragen aan meer zelfreflectie op de Nederlandse aanpak.

Conclusie

Met de brief die minister Dijsselbloem aan de Tweede Kamer heeft gestuurd, wordt geen goed beeld geschetst van de dagelijkse praktijk. Hij wekt daarmee de indruk niet ‘in control’ te zijn en geeft de Tweede Kamer een gevoel van schijnzekerheid. Mogelijke gedupeerde klanten zijn daarvan het slachtoffer.

“Bij het vinden van een oplossing gaat het er volgens de AFM om dat de bank de klant ten minste in de positie brengt waarvan sprake zou zijn geweest indien de klant van af het begin (dus bij aanvang van de dienstverlening) de juiste dienstverlening had ontvangen. Dat wil zeggen dat de klant wist waarvoor hij tekende, de risico’s kon inschatten en op de gewenste manier zijn renterisico’s kon beheersen.”

Alléén als dat strikt wordt nageleefd -en dat is nu nog niet het geval- komen goede herbeoordeling en goede herstelacties tot stand, waar klanten bij gebaat zijn. Dat vereist een veel strakkere structuur en veel strikter toezicht.

 

 

De Commissaris: ‘Reageer adequaat op rentederivaat’

Media, Rentederivaten, Renteswaps, risicoprofiel

In de najaars-editie van het blad De Commissaris, geeft Patrick van Gerwen concrete aanwijzingen voor commissarissen die te maken (kunnen) hebben met rentederivaten in de onderneming of instelling waar ze toezichthouder zijn. Aan de hand van zes punten geeft hij hen houvast voor een kritisch high level toezicht en kunnen zij inschatten bij welke ingewikkelde financiële constructies zij alert moeten zijn. Dan kunnen zij snel de stormbal hijsen, als dat nodig is.

Click op de volgende link voor het volledige artikel: De Commissaris – Reageer adequaat op rentederivaat

AFM in beweging bij herstel renteswaps

AFM, Rentederivaten, Renteswaps, risicoprofiel

Naar aanleiding van een publicatie in Het Financieele Dagblad van 4 maart 2014 over rentederivaten in het MKB (FD 4 mrt 2014 – MKB rentederivaten), heeft AFM als volgt gereageerd (FD 4 mrt 2014 – AFM herstelacties rentederivaten): “Wij zullen de banken vragen in actie te komen voor die gevallen waarin naar wettelijke maatstaven sprake is of kan zijn geweest van niet- of onvoldoende passende rentederivatendienstverlening, gegeven de complexiteit van bepaalde productoplossingen in verhouding tot het profiel van de klant.”

Dat is een wat concreter standpunt dat AFM hier inneemt ten opzichte van haar uitspraken bij de publicatie van haar rapport “Aanbelevelingen Rentederivatendienstverlening” twee weken daarvóór, op 20 februari 2014: “De AFM onderzoekt of er aanleiding is om met de banken in overleg te gaan over de noodzaak tot toetsing van dossiers uit het verleden aan de bestaande, wettelijke normen. Daarnaast kan de AFM overwegen om in individuele gevallen tot formele handhaving over te gaan.”

Dit lijkt misschien wat semantische fijnslijperij, maar wetende dat AFM altijd zorgvuldig haar woorden kiest, is dit toch wel een beweging in haar opstelling in deze zaak. Blijkbaar hebben de publieke reacties op het betreffende AFM-rapport, met als belangrijkste commentaar dat AFM nalaat om in te grijpen bij bestaande problemen, hun invloed gehad. Misschien was dat rapport bedoeld als de spreekwoordelijke teen die in het water wordt gestoken om de temperatuur te peilen?

Beleggingsdienstverlening: back to basics

AFM, alternative investments, risicoprofiel, vermogensbeheer

Eind februari heeft AFM het rapport “Onderzoek kwaliteit van beleggingsdienstverlening” gepubliceerd. Waar rook is, is vuur, dus zal er voldoende aanleiding zijn geweest om dit onderzoek te doen. En de eenvoudige conclusie is dat verbeteringen bij de meeste banken en beleggingsondernemingen noodzakelijk zijn.

Bij de meeste van dit soort rapporten,  grijpt een toezichthouder in omdat de innovatieve complexiteit van de producten sneller is toegenomen dan de bijbehorende wet- en regelgeving; een soort inhaalslag. Dat is bij dit rapport echter niet het geval. Hierin wordt vooral teruggevallen op de basisbeginselen van het vermogensbeheer: risico, rendement en rapportage. Die worden blijkbaar onvoldoende toegepast.

Een paar in het oog springende bevindingen illustreren dit. De meeste vermogensbeheerders blijken bijvoorbeeld beleggingsportefeuilles van klanten alleen te beoordelen op basis van rendement. “Zij besteden geen of weinig aandacht aan de risico’s en kosten van de beleggingsportefeuille.” Dat is opmerkelijk, omdat in Financiële Bijsluiters juist op diverse risico’s en kosten (Total Expense Ratio) wordt ingegaan. Als dat geldt voor ‘standaard’ beleggingsfondsen, zou je iets soortgelijks ook mogen verwachten bij vermogensbeheer voor vermogende beleggers.

Verder constateert de AFM dat de risicobereidheid van de cliënt in het minste aantal dossiers volledig en concreet wordt geïnventariseerd. Dat is zorgwekkend, omdat dit een cruciaal uitgangspunt is voor het vormgeven van een passende beleggingsportefeuille. Alsof De Efteling alle on-ervaren pretparkbezoekers standaard eerst naar de Python stuurt, terwijl de jonge gezinnen het Sprookjesbos al spannend genoeg vinden voor een geslaagd dagje uit.

De meest basale constatering in het rapport heeft betrekking op de bandbreedtes, die betrekking hebben op de beleggingscategorieën waarin voor de cliënt wordt belegd. “Uiteraard moet de [beleggings]onderneming deze bandbreedtes ook daadwerkelijk naleven bij vermogensbeheer.” Verder commentaar hierop is niet nodig, lijkt me.

Geen inhaalslag dus met dit rapport. Sterker nog, het is eerder een aantal stappen terug, ‘back to basics’. Dat is een pijnlijke conclusie, want blijkbaar worden hedendaagse financiële inzichten door de beleggingsondernemingen onvoldoende gebruikt. Maar wat écht onthutsend is, is dat de AFM zo’n rapport met basale tekortkomingen publiceert om “belanghebbenden, waaronder consumenten, banken en beleggingsondernemingen, informeren over de kwaliteit van de beleggingsdienstverlening in Nederland.” Als de toezichthouder deze basale tekortkomingen op grote schaal constateert (ze stelt dat het onderzoek zeer representatief is), dan zou niet ‘informeren’ het doel moeten zijn, maar ‘ingrijpen’. Man en paard benoemen, zodat consumenten gewaarschuwd zijn en nieuwe probleemgevallen worden voorkomen. En richtlijnen voor het oplossen van bestaande problemen.

AFM-rapport: read between the lines!

AFM, Rentederivaten, Renteswaps, risicoprofiel

In het rapport van AFM  “Aanbevelingen Rentederivatendienstverlening; voor een passende dienstverlening aan het niet-professionele MKB” geeft AFM ‘handvatten voor een passende dienstverlening’. Die is bedoeld als leidraad voor banken (‘beleggingsondernemingen’)die derivaten verkopen aan het niet-professionele MKB.

In eerste instantie lijkt het dat in dit rapport een heleboel open deuren worden ingetrapt. Bijvoorbeeld: “Rentederivaten moeten op een zorgvuldige manier met de klant worden afgesloten.” Maar ook: “Handelen in het belang van de klant gaat soms verder dan de wettelijke verplichting.” Je kunt zeggen dat een MKB’er met dit soort uitspraken niets kan. Die had waarschijnlijk liever steviger uitspraken en maatregelen van AFM richting de banken gelezen. En bovendien had diezelfde MKB’er verwacht dat AFM veel meer aandacht zou geven aan het oplossen van bestaande problemen rondom derivaten, in plaats van zich te richten op aanbevelingen voor de toekomst.

Toch lees ik dit rapport, in tweede instantie, met andere ogen. Het feit dat AFM het nodig vindt om al die open deuren in te trappen, zegt genoeg. Als uit het onderzoek van AFM bijvoorbeeld was gebleken dat alle banken met volle overgave in het belang van de klanten haden gehandeld, dan hadden we deze aanbeveling niet teruggevonden in dit rapport. Het feit dat die open deuren allemaal met naam en toenaam worden genoemd, geeft aan dat er op al die vlakken serieuze tekortkomingen zijn geconstateerd. Vaak wordt gezegd dat je het verleden moet kennen, om het heden te begrijpen; met dit rapport is het net andersom. Met die invalshoek is dit rapport ook te beschouwen als een eerste inhoudelijke erkenning van (de omvang van) bestaande problemen. En biedt het daarom ook handvatten naar lopende en reeds afgelopen zaken.

Obligaties: wat er op staat, zit er in?

alternative investments, risicoprofiel, vastrentende waarden, vermogensbeheer

De Rechtbank van Amsterdam heeft op 8 januari een interessant vonnis uitgesproken in een zaak tegen een vermogensbeheerder. Volgens de klant heeft de vermogensbeheerder een beleggingsbeleid gevoerd dat niet in overeenstemming is met het overeengekomen risicoprofiel. Dat geldt in dit specifieke geval vooral voor de categorie vastrentende waarden.

In deze casus heeft de klant een beleggingsportefeuille met een pensioendoelstelling. Om die doelstelling te realiseren, is door de klant en de vermogensbeheerder een risicoprofiel overeengekomen. In dat risicoprofiel is vastgelegd hoe de beleggingen in de portefeuille procentueel over de verschillende beleggingscategorieën (aandelen, vastrentende waarden, alternatieve beleggingen en liquiditeiten) zal worden verdeeld. De discussie spitst zich toe op de manier waarop door de vermogensbeheerder invulling is gegeven aan de vastrentende portefeuille.

Uit het bericht van de door de rechtbank ingeschakelde onafhankelijke deskundige blijkt, dat een deel van de beleggingen in de portefeuille onterecht zijn gekwalificeerd als ‘vastrentende waarden’. In technisch opzicht voldoen deze effecten weliswaar aan de brede definitie van vastrentende waarden, maar de feitelijke aard van die effecten blijkt niet goed te passen bij de doelstelling van de obligatieportefeuille (lange termijn pensioeninkomsten).

Een aantal ‘vastrentende waarden’ heeft een risicoprofiel dat dichtbij het risicoprofiel van aandelen komt, bijvoorbeeld omdat het perpetuals betreft met een hoog kredietrisico. Daarnaast zitten er effecten in de portefeuille die als ‘alternative investments’ kunnen worden gekwalificeerd, waarin het risico vanwege een financiële hefboomwerking flink wordt verhoogd.

De rechtbank concludeert daarom als volgt: “De slotsom is dat de rechtbank met de deskundige tot uitgangspunt neemt dat, hoewel de door de deskundige onderzochte effecten wel zijn aan te merken als vastrentende waarden, de aan die effecten verbonden risico’s (met uitzondering van de Robeco flex-o-rent en de Templeton global bonds) niet overeenstemmen met de algemene categorie vastrentende waarden. Aan de desbetreffende effecten is een hoger risico verbonden.”

Deze uitspraak leert dat het niet alleen van belang is om naar de formele kwalificatie van effecten in een portefeuille te kijken, maar ook naar de daadwerkelijke aard van de onderliggende beleggingen. En -niet te vergeten- naar wat de aard van de beleggingen zou moeten zijn, wanneer dit gekoppeld wordt aan de beleggingsdoelstelling. Dat geldt niet alleen voor vastrentende waarden, zoals in deze casus, maar ook voor andere beleggingscategorieën.