Viewing posts categorised under: Plofderivaten

Trouw: “Hoe maatschappelijke instellingen de mist ingingen..”

AFM, Media, plofderivaten, Rentederivaten, Renteswaps

2017-02-01 (1)Trouw schreef op 1 februari een artikel over het gebruik van rentederivaten in de semi-publieke sector. Deze sector valt voor een groot deel niet onder de werking van het Herstelkader. Om compensatie te krijgen, zal vaak een gang naar de rechtbank noodzakelijk blijken.

Lees hier het hele artikel: “Hoe maatschappelijke instellingen de mist ingingen met complexe financiële producten

De Groene Amsterdammer: “Pure misleiding”

AFM, Media, plofderivaten, Rentederivaten, Renteswaps

2017-02-01Op basis van een uitgebreid onderzoek heeft De Groene Amsterdammer op 1 februari een ‘long read’ gepubliceerd over renteswaps. Zowel verkoopmethoden, problemen, afhankelijkheid als het herstelkader komen aan de orde.

Lees hier het hele artikel: ‘Pure misleiding

Woningcorporatie in het rood door derivaten

Media, plofderivaten, Rentederivaten, woningcorporaties

FDOp 15 juli 2015 publiceerde het Financieele Dagblad een artikel over de Rotterdamse woningcorporatie SOR, die door plofderivaten een fors negatief resultaat moet boeken over 2014. Door de gewijzigde jaarverslaggevingsregels moeten zogenaamde ‘embedded derivaten’ in bepaalde gevallen afzonderlijk worden gerapporteerd. Bij plofderivaten (ofwel ‘extendible leningen’) is dat het geval. Bij veel andere woningcorporaties zal dit dus nu ook zichtbaar worden.

Lees hier het volledige artikel: FD 15 juli 2015

WoCo SOR boekt fors negatief resultaat vanwege plofderivaten

plofderivaten, Rentederivaten, Renteswaps, woningcorporaties

De Rotterdamse woningcorporatie SOR toont in de publicatie van haar jaarcijfers dat het negatieve resultaat over 2014 geheel wordt veroorzaakt door de ‘mutatie embedded derivaten’. Deze bedraagt ruim € 96 mln, waardoor het resultaat van SOR over 2014 € 87 mln negatief is. Over 2013 had SOR eveneens een negatief resultaat, toen van € 18 mln. Hiermee wordt de mogelijke impact van ‘plofderivaten’ voor woningcorporaties duidelijk.

Achtergrond

De ‘embedded derivaten’ waarover het gaat, zijn de zogenaamde ‘extendible leningen’. Dat zijn leningovereenkomsten, die een bepaling bevatten die de bank het recht geeft om na bijvoorbeeld 15 jaar de lening te verlengen voor nog eens 15 jaar, tegen een vooraf vastgesteld rentepercentage. Dat recht op verlenging ligt alleen bij de bank. De bank zal dat dus alleen doen als die vooraf vastgestelde rente voor die tweede periode hoger blijkt te zijn dan de marktrente op dat moment. Daardoor is het voor de woningcorporatie per definitie geen geschikt instrument om renterisico mee af te dekken. In eerdere blogs heb ik aandacht besteed aan deze producten. Daaruit bleek onder andere dat deze ‘extendible leningen’ op grote schaal voorkomen bij woningcorporaties: tenminste voor € 1,3 miljard en maximaal voor € 3,1 miljard. Die bandbreedte is zo ruim omdat de jaarverslagen van woningcorporaties niet altijd transparant zijn over deze leningen in hun portefeuille.

RJ290

Vanwege een wijziging van Richtlijn 290 ‘Financiële instrumenten’ door de Raad voor de Jaarverslaggeving (per december 2013), moet in jaarrekeningen anders worden omgegaan met deze ‘verborgen derivaten’. Die schrijft namelijk voor dat als er geen ‘nauw verband’ is tussen de economische kenmerken van dit verborgen derivaat en de economische kenmerken van het basiscontract (de lening zelf), dit verborgen derivaat moet worden ‘afgesplitst’. Daarmee wordt het derivaat dus uit de lening getild en apart gepresenteerd (als een ‘stand alone’ derivaat) in de jaarrekening. Voorheen hoefde dit niet en waren deze ‘embedded derivaten’ en de bijbehorende risico’s meestal niet zichtbaar in de jaarrekeningen.

Deze wijziging is voor het eerst van toepassing op jaarrekeningen over 2014. Omdat de wijziging bij de publicatie van jaarrekeningen over 2013 al bekend was, ligt het voor de hand dat destijds al in de jaarrekening en/of het directieverslag een opmerking van de verwachte impact hiervan werd opgenomen, zeker wanneer deze materieel is.

SOR

SOR beschikt over een zeer grote hoeveelheid ‘extendible leningen’; maar liefst de helft van alle leningen bevat zo’n plofderivaat. Op basis van de jaarcijfers 2013 was daarom al voorspelbaar dat dit aspect een zeer grote impact op het resultaat van SOR zou hebben in 2014. De publicatie van de jaarrekening 2014 bevestigt dat.

Waarom is dat effect zo groot? Deze plofderivaten geven de bank het recht om een lening te verlengen tegen een vooraf vastgestelde rente. Dat recht (optie) wordt geld waard op het moment dat de rente daalt. De bank kan dan immers tegen (vaak ruim) boven marktconforme rente de lening verlengen. Aangezien deze leningen vooral in de periode rond 2008-2011 zijn verkocht en de kapitaalmarktrente sindsdien fors is gedaald, hebben deze opties nu een zeer hoge waarde voor de bank. En dus een zeer hoge negatieve waarde voor de woningcorporatie.

SOR is zeker een extreem geval te noemen; bij andere woningcorporaties is het percentage ‘extendible leningen’ een stuk lager. Deze zaak laat zien dat een woningcorporatie met een totale huuropbrengst van bijna € 60 mln een negatief resultaat kan realiseren van € 87 mln vanwege de plofderivaten die in de extendible leningen zitten verstopt.

Impact

Wat de eventuele verdere impact is van dit negatieve resultaat, is voer voor accountants. SOR geeft in haar jaarverslag aan dat het een boekhoudkundig verhaal is, dat verder geen impact heeft op de kasstromen. Ze geeft echter ook aan dat het effect heeft op de disconteringsvoet voor de berekening van de bedrijfwaarde voor het sociaal vastgoed, en op die manier ook op de omvang van het eigen vermogen.

Zo blijkt ook dat de langlopende schulden met bijna € 174 mln zijn toegenomen vanwege de negatieve  waarde van de embedded derivaten. Het is de vraag wat impact van deze significante verhoging van de schuldpositie is op de ratio’s van SOR en op eventuele financieringscondities.

Hoewel deze problematiek voor vele andere woningcorporaties relatief in beperktere mate zal spelen, zal het over de gehele sector gemeten naar verwachting toch wel een belangrijke impact hebben op de financiële positie van woningcorporaties. Het ligt op het terrein van de Autoriteit Woningcorporaties (voorheen CFV) om eventuele risico’s en maatregelen in kaart te brengen.

België treedt op tegen derivaten

AFM, Buitenland, plofderivaten, Rentederivaten, Renteswaps, woningcorporaties

FSMADe Belgische evenknie van AFM, de FSMA, heeft een rapport (link: FSMAgepubliceerd naar aanleiding van een onderzoek dat zij heeft gedaan naar de verkoop van rentederivaten aan het MKB (‘kmo’). In duidelijke woorden geeft zij aan dat banken hebben tekortgeschoten. Dat gebeurt in Nederland ook wel -tot op bepaalde hoogte- door AFM, maar zij gaan op één punt duidelijk verder dan de AFM: concrete herstelmaatregelen opleggen. AFM laat die invulling juist over aan de banken.

Conclusie

In dit rapport spitst de toezichthouder zich op ‘bermudan callable’ rentederivaten. Dat zijn rentederivaten in combinatie met een door de klant geschreven optie. De conclusies zijn niet mals:

  • de inzameling van klantgegevens door de bank voldoet niet aan de wettelijke bepalingen;
  • banken hebben niet altijd een passendheidstest uitgevoerd;
  • banken kunnen niet aantonen dat ze hebben voldaan aan de verplichtingen inzake informatieverstrekking over de geadviseerde rentederivaten.

De algemene conclusie is kort en krachtig: “…geldt als algemene vaststelling dat geen van de banken aan de FSMA heeft kunnen aantonen dat alle regels met betrekking tot de zorgplicht werden nageleefd en dat de cliënten op het ogenblik van de verrichting in staat waren de risico’s te begrijpen die verbonden zijn aan dergelijke producten.” Deze zin is de moeite waard om nog een keer te lezen.

‘Remediëring’

Wat echt opvallend is, is dat de FSMA de betrokken bank heel concreet oplegt hoe zij deze situaties moeten oplossen met hun klant (‘remediëring’). In Nederland laat de AFM dit geheel over aan het eigen inzicht van de banken, waardoor er maar zeer beperkt oplossingen worden voorgesteld en de geboden oplossingen zelf ook zeer beperkt zijn. De zuiderburen zijn kristalhelder:

  • de ‘bermudan swap’ moet worden vervangen door een ‘plain vanilla swap’ (gewone renteswap zonder optie);
  • het rentevoordeel dat de klant had vanwege die geschreven optie, blijft behouden voor de klant;
  • elke bepaling die een onevenwichtig voordeel aan de bank biedt of misleidend zou kunnen zijn voor de klant, wordt als nietig beschouwd;
  • de herziening moet binnen vier maanden na de datum van het onderzoek van de FSMA zijn afgerond;
  • de banken moeten er voor zorgen dat ze personeel inzetten die goed gekwalificeerd zijn in deze specifieke materie (dat was dus blijkbaar niet het geval);
  • alle kosten van de herstructurering zijn voor rekening van de bank;
  • banken betalen daar bovenop een schadevergoeding (‘commerciële tegemoetkoming’) aan elke klant.

Informatie

De FSMA stelt dat de informatieverstrekking aan klanten sterk verbeterd moet worden. Banken moeten kunnen “garanderen dat de cliënt begrijpt wat wordt verstaan onder beleggingsrisico, alsook wat het verband is tussen het risico en het rendement van de belegging.” Dit is precies het punt waarop het bij Nederlandse banken vaak tekortschiet.

België – Nederland

Hoewel dit rapport gericht is op ‘bermudan callable’ rentederivaten, is dit zeker ook relevant voor de Nederlandse situatie. Zo zijn in Nederland vergelijkbare producten op grote schaal verkocht aan woningcorporaties; de zogenaamde ‘extendible leningen’ ofwel plofderivaten.

Daarnaast zijn de maatregelen van toepassing op alle ‘niet-professionele beleggers’. In Nederland is de groep op doordachte wijze flink kleiner gemaakt door alleen te kijken naar ‘niet-professionele MKB’ers’; bovendien wordt daarbij ook nog een definitie van MKB gebruikt waardoor de groep nog kleiner wordt.

Bovendien geeft het inzicht in het het kordate optreden van de FSMA, die de banken concrete oplossingen voorschrijft en daarbij geen ruimte voor interpretatie overlaat aan de banken. Van met name dat laatste kan de AFM nog veel leren!

 

Plofderivaten ‘Paard van Troje’?

plofderivaten, Rentederivaten, risicoprofiel, woningcorporaties

volkskrant_logo_zwIn de Volkskrant van 18 februari 2015 wordt uitgebreid geschreven over een onderzoek van justitie naar fraude bij drie woningcorporaties. In het kielzog van de derivatenfraude bij woningcorporatie Vestia is justitie op een nieuwe zaak gestuit. Corporaties zouden het slachtoffer zijn geworden van ‘fraude en omkoping’ door adviseurs en bemiddelaars in derivaten en leningen.

De drie woningcorporaties die hiervan de dupe zijn geworden zijn Portaal, Wonen Limburg en De Woonplaats. Uit onderzoek van Cadension blijkt, dat twee van deze drie woningcorporaties Extendible leningen hebben afgesloten.  Nu zijn er vanzelfsprekend wel meer overeenkomsten tussen deze woningcorporaties. Waarom is juist deze overeenkomst zo interessant?

Plofderivaten

In diverse eerdere artikelen van Cadension over extendible leningen (ook wel tijdvakleningen genoemd), is uitgelegd waarom deze leningen zondermeer niet geschikt zijn voor woningcorporaties. In ruil voor een lage rente gedurende de eerste periode, loopt de woningcorporatie juist een risico voor de tweede periode. Daardoor wordt zij gevoelig voor een rentedaling, en zijn risico’s voor een rentestijging juist niet afgedekt. Dat strookt niet met het renterisicoprofiel van woningcorporaties, waar een groot deel van de bedrijfskosten uit financieringslasten bestaat. Om die reden heb ik deze leningen ook al als ‘plofderivaten’ bestempeld. Daarnaast is de extendible lening een totaalproduct met dezelfde onderdelen als de derivatenconstructie die Vestia had, waardoor zij in de problemen kwam.

Hoge marges

De grote vraag is waarom deze leningen dan zijn aangetrokken door woningcorporaties, als objectief is vast te stellen dat ze niet geschikt zijn?  Steeds meer blijkt, dat woningcorporaties die met fraude, steekpenningen of verscherpt toezicht van het CFV te maken hebben, op de lijst van woningcorporaties staan die extendible leningen hebben. Deze lijst heeft Cadension opgesteld op basis van onderzoek naar de jaarverslagen over 2013 van woningcorporaties. En aangezien ‘gestructureerde producten’ (zoals de extendible lening) zeer hoge marges voor de bank en tussenpersonen bevatten (zo zei Arjen Greeven tijdens zijn publieke verhoor tijdens de parlementaire enquete), is het bijna noodzakelijk om te onderzoeken of deze ongeschikte producten als een ‘paard van Troje’ kunnen hebben gediend; het komt als een gewone lening binnenrijden bij de woningcorporatie, maar kan vervolgens een middel blijken om zeer hoge marges en oneigenlijke betalingen mogelijk te maken.

Lakmoesproef voor rentederivaten

AFM, Nieuws, plofderivaten, Rentederivaten, Renteswaps, risicoprofiel

Wanneer het gaat over rentederivaten, gaat het ook al snel om regelgeving. Want waar uitwassen zijn, wordt al snel naar de overheid en toezichtshoudende instanties gekeken om in te grijpen. En die uitwassen zijn er zeker bij het gebruik van rentederivaten, zowel in de (semi)publieke als de private sector. Met vaak een grote financiële impact.

Nu is regelgeving lang niet altijd een goede oplossing. Het heeft namelijk het risico dat het zelfdenkend vermogen van de gebruiker op een laag pitje wordt gezet; die houdt zich aan de regels en leeft in de veronderstelling dat daarmee alles in orde is. Dat is bewuste of onbewuste risico-blindheid. In sommige gevallen kan ingrijpen echter wel zinvol zijn.

Gok-element

Zo zijn er diverse rentederivaten in omloop waarvan objectief kan worden vastgesteld dat ze niet passen bij het effectief beheersen van renterisico’s. Een sprekend voorbeeld daarvan zijn de zogenaamde ‘extendible leningen’, eerder ook al leningen met ingebouwde ‘plofderivaten’ genoemd. Deze komen vooral veel voor in de (semi)publieke sector, zoals woningcorporaties, maar ook in de private sector. Het product klinkt heel vriendelijk, namelijk als een lening die je kunt verlengen. Maar aangezien dat recht tot verlengen alléén bij de bank ligt, is deze lening ineens een stuk minder vriendelijk. De bank maakt alleen gebruik van dat recht (een swaption) als dat in haar voordeel is; en dat is per definitie het geval als het voor de klant nadelig is. Als de rente is gedaald, zal de bank verlengen; als de rente daarentegen stijgt, zal dat niet gebeuren. Dat heeft dus niets te maken met het beheersen van het risico van een rentestijging, wat een belangrijk risico is voor woningcorporaties. Sterker nog, het doet het tegenovergestelde. Van zo’n product zou je eenvoudig kunnen vaststellen dat het niet ingezet mag worden bij bedrijven en instellingen die gevoelig zijn voor rentestijgingen. Voor woningcorporaties staat dit product daarom inmiddels op de zwarte lijst.

Een variant op de ‘extendible lening’ is de ‘cancelable swap’. Dat is een swap die vroegtijdig beëindigd kan worden. In de versie die banken verkochten, lag dat recht bij de bank. En ook hier zal de bank alleen gebruik maken van dat recht, als dat in haar voordeel is, en dus in het nadeel van de klant. Zelfde verhaal.

Er zijn ook meer exotische varianten verkrijgbaar in de markt. Zoals de Zero Cost Knock-In Collar (ook wel Super Collar genoemd). Deze optieconstructie werd verkocht om de klant te beschermen tegen een rentestijging en is een variant op de ‘gewone’ collar. Dat is een combinatie van een gekochte optie (de ‘cap’, ofwel renteplafond) en een verkochte/geschreven optie (de ‘floor’, ofwel minimum rente). Maar bij de Zero Cost Knock-In Collar wordt het pas echt exotisch als de ‘knock-in’ functie gaat werken. Als de variabele rente namelijk onder het floor-niveau zakt, moet de klant een boete betalen. Hij moet dan niet die minimum-rente vanwege die floor betalen, maar nog een extra opslag van bijvoorbeeld 1%. Daardoor is de klant juist extra gevoelig geworden voor een rentedaling.

Rentevisie

Dit zijn een aantal voorbeelden van producten die in feite vereisen dat de gebruiker een zeer scherpe en uitgesproken rentevisie heeft. Zo is het alleen interessant om een extendible lening af te sluiten als je verwacht dat de relevante rente voor het tweede tijdvak uiteindelijk gelijk zal zijn aan de afgesproken rente voor die periode. Alleen in dat scenario ondervindt de klant geen nadeel van deze optie, terwijl hij wel het voordeel geniet in het eerste tijdvak. In elk ander scenario zit hij óf opgescheept met een hoger dan marktconforme rente, óf is hij blootgesteld aan een gestegen rente.

Een Zero Cost Knock-In Collar zou alleen interessant kunnen zijn voor klanten die verwachten dat de rente beperkt zal dalen en daarvan dusdanig overtuigd zijn, dat ze bereid zijn een boete te betalen als de rente verder daalt dan zij verwachten. Dat vraagt al snel een zeer professionele rentevisie van de klant; als hij die niet heeft, wordt het kopen van zo’n product een blinde gok. En kan oprecht de vraag worden gesteld of in dat product het gok-element uiteindelijk een grotere rol speelt dan het risicobeheersing-element.

Risicovisie

Het beheersen van renterisico’s zou los moeten staan van het hebben (of opleggen) van een rentevisie. Het actief inspelen op een specifieke rentevisie krijgt al snel het karakter van een speculatie. Risicobeheersing is juist een kwestie van het managen van onzekerheden. Als je vandaag een financiering sluit tegen een variabele rente, ben je gevoelig voor een rentestijging, ongeacht wat jouw rentevisie (of die van de bank) is. Want die visie kan onjuist blijken te zijn, waardoor het risico zich manifesteert. Wat wel relevant is, is om een inschatting te maken hoe groot het renterisico is (in termen van impact op de winst), zowel in euro’s als in looptijd. Risicobeheersing vraagt om een risico-visie, niet om een rentevisie.

Lakmoesproef

Er is dus zeker wat te zeggen voor een verbod op producten die qua werking niet (of niet goed) aansluiten bij het renterisico van de klant. Zo’n verbod kan gekoppeld worden aan specifieke doelgroepen of sectoren. Een lakmoesproef voor dit soort rentederivaten kan heel eenvoudig zijn. Voor de toelating van financiële producten wordt nogal eens de vergelijking met de farmaceutische industrie gemaakt, waarbij medicijnen eerst door  een uitgebreid test-circuit moeten gaan, voordat ze op de markt worden gebracht. Die vergelijking gaat mank omdat de lakmoesproef voor dit soort rentederivaten door experts kan worden vastgesteld; daar zijn geen proefpersonen en onderzoeken naar onbekende bijwerkingen voor nodig. Jarenlange testen zijn daarom niet nodig.

 

Follow the Money: “levensgevaarlijke leningen woco’s”

Media, plofderivaten, Rentederivaten, woningcorporaties

Op 29 oktober 2014 publiceerde de financiële website Follow the Money (www.ftm.nl) een artikel over plofderivaten bij woningcorporaties, naar aanleiding van een onderzoek van Cadension. Daaruit blijkt dat tenminste tientallen woningcorporaties leningen met plofderivaten in hun portefeuille hebben, die niets van doen hebben met adequaat risicomanagement voor een corporatie.

Uit hetzelfde onderzoek van Cadension bleek dat deze extendible leningen o.a. op grote schaal zijn verkocht door de BNG en NWB. In het artikel geven zij commentaar op deze feiten. Bovendien komt Wormer Wonen aan het woord, die nietsvermoedend ook dit product blijken te hebben.

Het volledige artikel is te lezen via deze link: FTM