Viewing posts categorised under: AFM

Herstelkader rentederivaten definitief

AFM, Rentederivaten, Renteswaps

Op 19 december 2016 is het definitieve herstelkader rentederivaten gepubliceerd door de Derivatencommissie. Dit is geen inhoudelijke wijziging ten opzichte van de versie die al in juli van dit jaar werd gepubliceerd, maar bevat juiste een aantal toelichtingen en bijlagen om de werking van het herstelkader te verduidelijken.

Tegelijk met deze publicatie heeft de Derivatencommissie ook een informatieve brochure uitgegeven.  Banken zullen deze gaan opnemen in hun brieven die ze naar klanten met renteswaps gaan sturen. Hierin wordt op hoofdlijnen de werking van de compensatieregeling uitgelegd.

In de brief van de minister van Financiën aan de Tweede Kamer over het herstelkader, geeft de minister aan dat de berekening van de compensatie conform de regels van het herstelkader een complexe zaak is. Cadension heeft sinds juli 2016 al vele tientallen doorberekeningen gemaakt voor ondernemers, exact volgens de regels van het herstelkader. Het door ons ontwikkelde rekenmodel zorgt voor een zorgvuldige, gedetailleerde en efficiënte berekening van de compensatie. Daarnaast beschikken wij over de jarenlange ervaring met schadeberekeningen voor rentederivaten, zodat ook alle kwalitatieve aspecten volledig worden meegenomen. Stuur ons e-mail voor aanvullende informatie over de mogelijkheden.

De banken verwachten dat zij in de loop van 2017 hun klanten kunnen informeren met concrete compensatievoorstellen. De exacte timing zal per bank verschillen. Als de bank een voorstel heeft gedaan, kan de klant beslissen of hij van het voorstel gebruik maakt. Bij acceptatie van het voorstel, verleent hij finale kwijting aan de bank.

Toezichthouder AFM gaat er op toezien dat de banken en de externe beoordelaars dit proces zorgvuldig en volledig uitvoeren.

Situatie in UK twee jaar geleden is rode vlag voor AFM

AFM, Rentederivaten, Renteswaps

Komende week wordt het Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB definitief afgerond door de Derivatencommissie. Dit Herstelkader zal voor een heleboel MKB-ers eindelijk een oplossing bieden voor een langslepende discussie met hun bank. Met name voor MKB-ers die grotere hoofdsommen aan rentederivaten hebben, grofweg vanaf ongeveer € 2,0 mln, kan het Herstelkader een te beperkte compensatie opleveren, zoals eerder al beschreven. Dat is toch in ongeveer 38% van de gevallen.

In mijn blogs heb ik met grote regelmaat vergelijkingen met de UK gemaakt. Exact dezelfde problematiek speelt daar ook, maar in de aanpak ervan lopen ze 18 tot 24 maanden voor op  Nederland. Dus is het interessant om eens twee jaar terug te gaan in de tijd en te kijken wat er toen in de UK gebeurde. Het is verbijsterend hoe groot de overeenkomsten weer zijn.

Twee jaar geleden was ik namelijk, op uitnodiging van Bully Banks, uitgenodigd om in Londen te spreken op een congres voor MKB-ers met rentederivaten. Naar aanleiding daarvan schreef ik een blog, ‘FCA kan nog niet rusten’. 

Sophisticated

Zo werd toen onder andere door Bully Banks geprotesteerd (‘brolly day’) bij de Houses of Parliament tegen het feit dat één op de drie ondernemingen buiten de werking van het Briste herstelkader valt, omdat zij onterecht als ‘sophisticated’ worden aangemerkt. Dat is vergelijkbaar met de kwalificatie ‘professionele belegger’ die in Nederland wordt gehanteerd. Zoals parlementsleden toen beweerden, wekt dat de indruk dat ze over voldoende kennis en deskundigheid beschikken om dit soort producten zelfstandig te kunnen kopen van de bank. Maar ook al voldoet een onderneming qua omzet en balanstotaal aan de criteria, dan wil dat nog niet zeggen dat de vereiste deskundigheid dan ook aanwezig is. Vaak blijken dat soort bedrijven familiebedrijven te zijn, waar de boekhouder ook ‘CFO’ is. En ontbeert de kennis en ervaring ten aanzien van renteswaps volledig.

Ook in Nederland wordt de groep ‘niet-professionele beleggers’ in het Herstelkader aan een extra toets onderworpen. Dat betekent dat een deel van die groep alsnog als ‘deskundig’ wordt aangemerkt en op die manier buiten de werking van het Herstelkader valt.

Verder is door de beperkingen die in het Nederlandse Herstelkader zijn ingebouwd, met name in de ‘coulancevergoeding’ (staffel en maximumbedrag van € 100.000), het Herstelkader voor de renteswaps met hogere hoofdsommen mogelijk minder interessant. Dat is, toevalig genoeg, naar schatting voor ongeveer 30% van de gevallen van toepassing.

In beroep

Een andere klacht die op dat moment in de UK speelde, is dat ondernemers die het niet eens zijn met het compensatievoorstel van de bank niet in beroep kunnen gaan. Als zij er niet uitkomen met de bank, dan zullen zij naar de rechter moeten stappen. En dat is nu net een route, die veel ondernemers niet willen volgen. Ook in Nederland is er (nog) geen beroepsprocedure voor deze klanten. Op specifieke punten kan een klant wel zijn vraag voorleggen aan de Derivatencommissie voor een ‘bindend advies’, maar dit geldt niet voor alle onderwerpen. Het is van groot belang dat hiervoor alsnog een oplossing komt, omdat er anders geen gelijk speelveld is tussen de bank en haar klanten.

Nu, twee jaar later, kan ook in Nederland de AFM dus nog niet rusten.

‘Voordeel’ renteswap ontmanteld

AFM, Rentederivaten, Renteswaps

In de voortdurende discussie over renteswaps, keert steeds de vraag terug waarom banken renteswaps hebben geadviseerd. Met name in situaties waarin de klant eigenlijk gewoon een lening met een vaste rente wilde, lijkt het alternatief van een Euribor-lening met een renteswap namelijk geen voordeel te hebben. Sterker nog, bij een lening met een vaste rente kan een klant vaak 5-10% van de oorspronkelijke hoofdsom jaarlijks boetevrij aflossen; bij de constructie met een renteswap is dat onmogelijk. Banken voeren in die discussie standaard het argument aan dat de constructie met een renteswap voor de klant goedkoper was dan een lening met een vaste rente. En als een ondernemer mag kiezen tussen twee (volgens de bank) identieke oplossingen, maar de ene is goedkoper dan de andere, dan zullen de meeste ondernemers niet lang twijfelen.

Free lunch

Bij dit soort uitspraken schuiven financieel-economen direct op het puntje van hun stoel. Ook in de discussies naar aanleiding van een artikel op Follow the Money komt dit onderwerp uitgebreid aan bod. Want hoe is het mogelijk dat twee ‘identieke’ financieringsmogelijkheden twee verschillende tarieven hebben? Immers, als dat zo zou zijn, dan is er ruimte voor arbitrage: je zou dan geld kunnen inlenen tegen het lage tarief en vervolgens weer kunnen uitlenen tegen het hoge tarief. Even afgezien van kredietrisico’s, zou je dan een risicovrije marge kunnen maken. Ofwel, een ‘free lunch’. En zoals Milton Friedman eens zei:  “there ain’t no such thing as a free lunch”. Toch laten banken steeds zien dat het tarief voor een lening met vaste rente inderdaad hoger is. Hoe is dat verschil dan te verklaren? Dat zit in onverwachte hoek.

Aflossingen

Uit diverse gesprekken met (oud-)bankiers van verschillende grootbanken, komt het volgende beeld naar voren. Wanneer banken tarieven voor leningen met een vaste rente offreren, dan maken ze een aanname dat op de lening geen aflossingen zullen plaatsvinden gedurende de rentevastperiode. Ook voor bijvoorbeeld een lening van € 1,0 mln met een lineaire aflossing in 20 jaar (ofwel, € 50.000 per jaar aflossing) wordt de aanname gemaakt dat de hoofdsom gedurende de rentevastperiode steeds € 1,0 mln is.

Wanneer banken echter tarieven voor Euribor-leningen in combinatie met een renteswap offreren, dan wordt het hoofdsomverloop van de renteswap afgestemd op het aflossingsschema van de Euribor-lening. Er wordt dan dus wél rekening gehouden met de jaarlijkse aflossing van € 50.000. Dat betekent dat de gewogen gemiddelde looptijd van de lening significant korter wordt. En een kortere looptijd betekent in het algemeen een lagere rente (behalve bij een vlakke of een inverse rentecurve).

Truc

Op deze manier wordt een Euribor-lening met een renteswap vanzelf goedkoper dan een lening met een vaste rente. Dat ligt dus niet aan de renteswap of aan de constructie, maar aan het feit dat de leningen met een vaste rente door banken verkeerd worden geprijsd. Banken waren vanzelfsprekend op de hoogte van dit verschil in berekeningsmethodieken en hadden op deze manier de beschikking over een krachtige verkooptruc. En door juist een Euribor-lening met renteswap te adviseren in plaats van een lening met vaste rente, kon de bank een extra product aan de klant verkopen waarop vaak een flinke additionele marge werd gerealiseerd door de bank. Bovendien kon die marge op het moment van afsluiten van de renteswap ineens worden geboekt binnen de bank, terwijl dat bij een lening met een vaste rente niet het geval is. Vanuit dat oogpunt had de bank er zelf baat bij om juist de constructie van de Euribor-lening met renteswap te adviseren.

In de gevallen waar dit verkoopargument is toegepast door de bank, kan terecht worden afgevraagd of er sprake is van misleidende verkoop door de bank.

‘Papieren tijger’ heeft wel degelijk impact

AFM, Rentederivaten, Renteswaps

hamerOp 15 november 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam een arrest gewezen in een zaak waar eerder al dwaling was toegewezen. Bij de vaststelling van de schadevergoeding heeft het hof een belangrijke opmerking gemaakt, die mogelijk op veel zaken van toepassing is.

Margin

De opmerking van het hof heeft betrekking op de Allowance faciliteit (bij Rabobank: Afgesproken Bedrag). Door banken wordt dit naar klanten veelal gepresenteerd als een formaliteit, een papieren tijger die nodig is om intern de stukken op orde te hebben; het zou verder geen enkele impact hebben voor de klant. Niets is minder waar, zoals bijvoorbeeld door het Kenniscentrum Rentederivaten herhaaldelijk beweerd, in een reactie op het AFM-rapport waarin dit aspect onjuist werd beoordeeld. Inmiddels hebben we de nodige bewijsstukken verzameld waaruit onomstotelijk blijkt dat het Afgesproken Bedrag en de Allowance faciliteit door de banken worden meegenomen in de totale kredietpositie van de bank. Het hof bevestigt dat nu, in zeer concrete bewoordingen:

“Toen vanwege de negatieve waarde van de renteswap de allowancefaciliteit moest worden aangesproken en zelfs moest worden verhoogd, zal de verhouding tussen de uitstaande kredieten (inclusief het uitstaande bedrag onder de allowancefaciliteit) en de waarde van de zekerheden zijn verslechterd en het kredietrisico op [appellant] zijn toegenomen. […..] Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat die verslechtering geen enkele invloed heeft gehad op de hoogte van de debiteurenopslag.”

In tegenstelling tot wat banken beweren, wordt de Allowancefaciliteit volgens het gerechtshof Amsterdam dus wel degelijk beschouwd als een extra uitstaand krediet. En dat heeft een aantal verreikende gevolgen voor de klant:

  • Een hogere kredietpositie betekent een hogere risicoprofiel;
  • Een hoger risicoprofiel kan leiden tot een hogere kredietopslag;
  • Een hoger risicoprofiel kan leiden tot het verzoek van de bank om extra zekerheden aan de bank te verstrekken;
  • Wanneer meer zekerheden aan de bank moeten worden verstrekt, dan beperkt dat de flexibiliteit en de financieringsmogelijkheden van de klant (want hij kan deze zekerheden niet meer inzetten om eventuele aanvullende financiering te krijgen);
  • En hoger risicoprofiel kan in het uiterste geval leiden tot een (versnelde) verhuizing naar de afdeling Bijzonder Beheer.

Herstelkader

Het Herstelkader dekt dit soort aspecten niet geheel. Zo worden opslagverhogingen wel grotendeels gecompenseerd, maar niet helemaal. Ten eerste vindt een correctie plaats vanwege de ‘coulancevergoeding’ (Stap 3). Ten tweede worden in het Herstelkader opslagverhogingen op leningen die niet worden afgedekt door de renteswap niet meegenomen in de compensatie. Dit laatste komt wel veelvuldig voor: soms worden juist kredietopslagen op ‘geswapte’ leningen niet verhoogd, maar worden de opslagen op rekening courant krediet en/of andere leningen wél verhoogd. Dat kan dus ook een gevolg zijn van het verhoogde risicoprofiel vanwege de Allowance faciliteit.

Bovendien is er een groep ondernemers die weliswaar geclassificeerd zijn als ‘niet-professionele belegger’, maar desondanks buiten de reikwijdte van het Herstelkader vallen. Deze groep klanten zou dus op eigen initiatief naar de rechtbank of Kifid moeten stappen om hun opslagverhoging voor te leggen.

 

 

Brits herstelkader rentederivaten fundamenteel ruimer

AFM, Rentederivaten, Renteswaps

In een eerder blog gaf ik al aan dat de compensatieregeling in het Verenigd Koninkrijk veel ruimer lijkt dan het Nederlandse herstelkader voor rentederivaten. Als er puur getalsmatig naar wordt gekeken, dan zou bij een vergelijkbare compensatie per ondernemer de totale schade voor Nederlandse banken € 4,1 miljard bedragen. De schattingen voor de Nederlandse banken liggen op dit moment significant lager: € 1,7 tot € 3 miljard. Dat is een verschil van 25-50% aan compensatie. Maar in welke elementen van het herstelkader zit nu de oorzaak van dat verschil?

Gestructureerde rentederivaten

In het Nederlandse herstelkader rentederivaten worden in Stap 1 de exotische rentederivaten, bekend onder namen als SuperCollar, Zero-Cost Knock-In Collar, Cap with Knock-In Floor, stevig aangepakt. Deze worden omgevormd naar een ‘gewone’ renteswap tegen het laagste rentetarief van die complexe producten. Dit is veruit de meest ingrijpende en omvangrijke compensatie uit het herstelkader. In het VK gaan ze echter nog een flinke stap verder: daar kunnen deze ‘structured collars’ geheel worden teruggedraaid, alsof ze nooit hadden bestaan. Want als een klant de risico’s van deze producten had gekend, dan had hij deze nooit afgesloten. Er komt dus geen enkel alternatief product voor in de plaats. De schadecompensatie kan daardoor al snel twee keer zo groot zijn.

Looptijd

Het Uniform Herstelkader Rentederivaten geeft helaas geen antwoord op het feit dat banken in veel gevallen renteswaps hebben geadviseerd met relatief lange looptijden. In adviesbrieven en presentaties van banken geven banken vaak het advies aan hun klanten om bijvoorbeeld een 10-jaars renteswap te nemen, ‘omdat de 10-jaars rente relatief aantrekkelijk op de curve ligt’. Ofwel, het renteverschil tussen de 5-jaars rente en de 10-jaars rente is relatief klein, dus kost het weinig extra rente om een langere rentevastperiode te nemen. Dat is echter vanuit risicomanagement perspectief geen geldig argument; de bank moet, als deskundig adviseur, de looptijd van de renteswap afstemmen op de wensen, behoeften en financiële positie van de klant. MKB-ondernemingen hebben bovendien bij vastrentende leningen vaak rentevastperioden van 3 tot 5 jaar. De klant wordt door een niet-relevante reden aan een relatief lange rentevastperiode gekoppeld.

In het VK is de toezichthouder duidelijk wel van mening dat op dit punt door de banken niet in het belang van hun klanten is gehandeld, vooral omdat de banken in het algemeen onvoldoende informatie en voorlichting hebben gegeven over de ‘break costs’ (afkoopsom) van renteswaps. En die afkoopsom is (bij een gedaalde rente) bij een langere looptijd flink hoger dan bij een korte looptijd. De redenering is daarom dat een klant, als hij volledig op de hoogte zou zijn geweest van dit risico, nooit voor een renteswap met een looptijd van 10 jaar zou hebben gekozen, maar voor een looptijd van 5 jaar. Dat betekent dat de 10-jarige renteswap in zijn geheel moet worden teruggedraaid en moet worden vervangen door een 5-jarige renteswap. Deze maatregel levert enorme compensatiebedragen op, temeer omdat in de laatste 5 jaar (die volledig worden teruggedraaid) Euribor nóg verder is gedaald, waardoor de renteverrekeningen juist toen zeer hoog waren. De compensatie is dus al snel twee keer zo hoog. En daar bovenop komt dan nog de volgende component, de vergoedingsrente.

Gevolgschade

Het herstelkader schrijft voor dat over de vastgestelde compensatiebedragen een wettelijke rente moet worden vergoed. Een uitzondering geldt voor de zogenaamde ‘coulancevergoeding’, daarover is de bank pas met ingang van 1 januari 2017 een wettelijke rente verplicht te vergoeden. Deze wettelijke rente was in 2008 nog 6%, maar sinds begin 2012 nog slechts 3% en sinds eind 2014 zelfs 2%. In het VK is de benadering anders. Ondernemers klagen namelijk veelvuldig over de zogenaamde gevolgschade die ze hebben geleden van de renteswaps die ze hebben. Doordat ze (zoals achteraf is gebleken) teveel hebben betaald aan de bank, hebben ze deze middelen niet kunnen investeren in hun onderneming, met alle gevolgen van dien. Deze gevolgschade is in het algemeen moeilijk aantoonbaar, maar wel plausibel. Om die reden is in het VK besloten om standaard met een rentevergoeding van 8% over alle compensatiebedragen te rekenen, om op die manier eenvoudig tegemoet te komen aan de klachten rondom gevolgschade. Ook dit heeft vaak een enorme impact, uiteraard afhankelijk van de lengte van de historische periode waarover gecompenseerd moet worden. In een voorbeeld van een klant uit de dagelijkse praktijk, waarbij sinds 2008 gecompenseerd moet worden en dus ook wettelijke rente moet worden vergoed, is volgens de Nederlandse methodiek de rentevergoeding 10% bovenop de ‘kale’ schade. Wordt in datzelfde voorbeeld 8% rente gehanteerd, dan is de rentevergoeding ruim 40% bovenop de schade.

Conclusie

De compensatie volgens het VK-stelsel is op een aantal cruciale punten veel ingrijpender dan het Nederlandse herstelkader voor rentederivaten. De gestructureerde rentederivaten zijn op vrij grote schaal verkocht, maar vormen nog steeds een kleine minderheid van het totale aantal verkochte rentederivaten. Maar het looptijd-aspect raakt nagenoeg alle ondernemers. Daar staat tegenover dat in Nederland binnen het herstelkader een algemene ‘coulancevergoeding’ bestaat, die tot (maximaal) 20% van de renteswap met terugwerkende kracht terugdraait. Echter, die component is beperkt tot een maximumbedrag van € 100.000. Zoals ik in een eerder blog al schreef, wordt dat maximum al relatief snel bereikt.

De genoemde fundamentele verschillen in benaderingswijze bevestigen het beeld dat de compensatie in het Verenigd Koninkrijk significant ruimer is dan het Uniform Herstelkader Rentederivaten. De al eerder vermoede verschillen van 25-50% lijken daarmee goed verklaarbaar.

Het is opmerkelijk dat dezelfde problemen zo dicht bij huis zo fundamenteel anders worden benaderd en gecompenseerd, terwijl de aard en omvang van de problematiek zulke sterke overeenkomsten vertonen. Waar banken multinationals zijn in een internationaal speelveld, lijken toezichthouders zich te laten beperken door de landsgrenzen.

Boeterente ook onjuist bij zakelijke financiering

AFM

percentageDe stichting Oversluitclaim stelt de berekening van de boeterente bij hypotheken aan de kaak. Deze zou niet juist worden vastgesteld door de banken, waardoor klanten teveel boeterente betalen. Niet alleen bij hypotheken gaat de boeterenteberekening vaak mis.

Ook bij bedrijfsfinancieringen klopt de manier waarop de boeterente wordt berekend niet in alle gevallen. Dat doet zich bijvoorbeeld voor op het moment dat je als klant je lening vroegtijdig wil verlengen. Dat kan interessant zijn wanneer de resterende looptijd van de rentevastperiode niet erg lang meer is en je verwachting is dat de rente voor een nieuwe rentevastperiode wel eens zou kunnen gaan stijgen. Dan wil je niet wachten tot het eind van de rentevastperiode om je rente vast te zetten.

Vergelijkingsrente

Waar het mis gaat, is bij de term vergelijkingsrente. Als voorbeeld neem ik de situatie bij Rabobank. In hun Algemene voorwaarden bedrijfsfinancieringen 2010 staat in artikel 28 lid c, dat bij vervroegde aflossing een vergoeding verschuldigd is. De argumentatie van de bank om dit te doen, is dat zij (terecht) een vergoeding wil ontvangen voor de gederfde inkomsten. “Deze vergoeding is gelijk aan het verschil tussen de door de debiteur verschuldigde rente en de vergelijkingsrente […]”. De crux zit in de term vergelijkingsrente. Die is namelijk verschillend in verschillende gevallen, maar de bank houdt daar geen rekening mee.

De vergelijkingsrente wordt bij Rabobank als volgt gedefinieerd: “…de rente, die de bank zou ontvangen over een bedrag, gelijk aan het bedrag van de vervroegde aflossing, als zij dat bedrag op het moment van de vervroegde aflossing zou uitzetten op de interbancaire markt voor een periode die gelijk is aan het restant van de rentevastperiode van de geldlening op het moment van de vervroegde aflossing.” De fout zit in het feit dat in alle gevallen wordt vergeleken met een interbancair tarief.

Appels en peren

Vergelijk de volgende twee situaties. In situatie A besluit een klant zijn bedrijfsfinanciering geheel vervroegd af te lossen, twee jaar voor het einde van de rentevastperiode, met een vaste rente van 4,50%. De bank krijgt de door haar uitgezette gelden vervroegd terug, terwijl zij was ingesteld om nog gedurende twee jaar 4,50% rente te ontvangen op deze financiering. Dit vervroegd ontvangen bedrag zal de bank opnieuw willen uitzetten. De bank gaat er dan van uit dat zij niet direct een andere klant klaar heeft staan die voor exact hetzelfde bedrag en restant looptijd diezelfde financiering nodig heeft, dus moet het geld op de interbancaire markt worden uitgezet. Dat is een terechte redenering.

In situatie B besluit een klant zijn bedrijfsfinanciering over te sluiten, twee jaar voor het einde van de rentevastperiode. Hij betaalt nu 4,50% rente. Wanneer hij nu een nieuwe rentevastperiode van 5 jaar kiest, is de nieuwe rente 2,50%. Er van uitgaande dat de financiering verder onveranderd blijft, is de bank vanaf nu verzekerd van rente-inkomsten van 2,50%. Dit is een essentieel verschil met situatie A. Echter, ook hier wordt door de bank een vergelijkingsrente gebruikt die gebaseerd is op de interbancaire markt. Vanzelfsprekend zijn die tarieven veel lager, bijvoorbeeld 1,00%. De bank heeft over een periode van twee jaar gederfde inkomsten van 4,50 – 2,50 = 2,0% maar brengt de ondernemer 4,50 – 1,00 = 3,50% in rekening. En dus is de boeterente onjuist en te hoog vastgesteld.

Dubbele marge

De ondernemer betaalt hierdoor voor die twee jaar een dubbele risico-opslag én marge aan de bank. Ten eerste betaalt hij via de boeterente de volledige marge over de resterende twee jaar, omdat het volledige klanttarief wordt vergeleken met een ‘kaal’ interbancaire (inkoop)tarief. Ten tweede betaalt de ondernemer in zijn nieuwe rente ook weer de klantopslag. Het is dus niet alleen onjuist vanuit het oogpunt van financiële rekenkunde, het is ook moreel onjuist.

Bij Rabobank komt daar bovenop nog de bepaling dat de vergoeding ten minste 1% over het vervroegd af te lossen bedrag is. Dat de bank (administratie)kosten in rekening brengt is te begrijpen. Aangezien die kosten niet samenhangen met de omvang van het aflossingsbedrag, is een kostenpercentage echter opmerkelijk. Een vast bedrag zou meer voor de hand liggen.

Oplossing

De oplossing is bijzonder simpel. De bank kan in haar algemene voorwaarden opnemen dat er onderscheid is tussen definitief aflossen van een financiering en vroegtijdig verlengen van een financiering. Door te benadrukken dat het om een (nogmaals: terechte) vergoeding van gederfde inkomsten gaat, kan dan eenduidig en transparant worden vastgesteld welke inkomsten de bank misloopt in de beide situaties.

Reactie Dijsselbloem roept vragen op

AFM, Rentederivaten, Renteswaps

MinFinOp 2 september stuurde de minister van Financiën een schriftelijke reactie naar de Tweede Kamer , naar aanleiding van een schriftelijk overleg over rentederivaten in het MKB. Deze reactie roept tenminste twee principiële vragen op, die een nader antwoord vereisen.

1. Maximering coulancevergoeding

De maximering van de coulancevergoeding volgens ‘Stap 3’ is op € 100.000 gezet. Volgens de minister is dat gedaan omdat van ondernemers, die een beperking ondervinden van dit maximum, “in de regel namelijk eerder mag worden verwacht dat zij zich adequaat laten voorlichten, waardoor een maximering van de coulancevergoeding op zijn plaats is.” Ofwel, bij een grotere hoofdsom had de klant zelf beter moet opletten. Als deze redenering al zou opgaan, dan is dat al ondervangen in andere (beperkende) maatregelen in Stap 3. Zo is een staffel ingebouwd voor het compensatiepercentage. Voor hoofdsommen van rentederivaten tot € 2,5 mln krijgt een ondernemer 20% vergoeding, tussen € 2,5 mln en € 10 mln nog 10% en voor het deel dat hoger is dan € 10,0 mln helemaal niets. Deze staffel houdt dus zeer nadrukkelijk al rekening met de omvang van de financiering c.q. rentederivaat. Door daar vervolgens nog een maximumbedrag aan te koppelen, wordt voor hetzelfde aspect (omvang) twee keer een beperking opgelegd.

Let wel, het maximumbedrag levert niet slechts een beperking op bij zeer grote hoofdsommen. Al bij een hoofdsom van meer dan € 1,5 – 2 mln treedt in veel gevallen deze beperking al een belangrijke rol. Volgens eigen inschatting van Cadension levert dit bij maar liefst 7.000 van de 19.000 rentederivaten een concrete beperking op.

Bovendien wordt een impliciete link gesuggereerd tussen hoogte van de hoofdsom en vermeende deskundigheid. Ook dat is onterecht en onlogisch. En ook hier geldt: op dit onderdeel zijn in het herstelkader duidelijke criteria geformuleerd, waardoor ondernemingen met voldoende deskundigheid worden uitgesloten van deelname aan het herstelkader. Eventuele deskundigheid wordt dus al ‘bestraft’, en in Stap 3 wordt die nog eens extra bestraft met een ongeldige reden.

De coulancevergoeding is een vergoeding voor het zorgplichtaspect in de renteswapzaken. Het schenden van de zorgplicht leidt bij een grote hoofdsom van een renteswap nu eenmaal tot een grotere schade (in Euro’s) dan bij een kleine hoofdsom. Er is geen enkele inhoudelijke reden te bedenken om ondernemers met een ‘grote’ renteswap procentueel (fors) minder te compenseren dan ondernemers met een ‘kleine’ swap. De enige verklaring die daarom voor deze merkwaardige beperking te geven is, is schadebeperking voor de banken.

2. Selectiecriteria externe beoordelaars

De externe beoordelaars, die door de banken worden aangesteld om de analyses en berekeningen uit te voeren, moeten voldoen aan selectiecriteria van de AFM. Opmerkelijk is dat die selectiecriteria niet uitsluiten dan een accountantskantoor dat eerst bij bijvoorbeeld Rabobank de herbeoordelingen heeft uitgevoerd, nu bij bijvoorbeeld ABN AMRO aan de slag kan gaan als externe beoordelaar. Immers, die herbeoordelingen bij (in dit voorbeeld) Rabobank zijn destijds fundamenteel ‘onjuist en onvolledig’ uitgevoerd, volgens de AFM. Daar heeft dat accountantskantoor ook een rol in gespeeld. Zij kan zich niet verschuilen achter het feit dat zij slechts volgens opdracht van Rabobank heeft gehandeld; van een accountantskantoor mag worden verwacht dat zij ook haar eigen kompas volgt en de herbeoordelingen uitvoert volgens de (wettelijke) kaders die van toepassing zijn. Zo heeft de AFM in haar rapport ‘Aanbevelingen Rentederivatendienstverlening’ van februari 2014 reeds op pagina 2 exact aangegeven welke wettelijke verplichtingen van toepassing zijn. In een persbericht van 28 mei 2014 heeft de AFM gemeld dat banken hun rentederivaten moeten beoordelen “aan de hand van de bestaande wettelijke normen.” Die normen bevat fundamentele aspecten als het inventariseren van de doelstelling en risicobereidheid van de klant, en zo specifieke mogelijk bepalen welk renterisico de klant wenst af te dekken; de bank dient dit bij adviesdienstverlening vóórafgaand aan de transactie te doen. Met name dit soort aspecten is structureel niet meegenomen in de herbeoordelingen, zo heeft ook AFM geconcludeerd. Van een accountantskantoor mag verwacht worden dat zij op de hoogte is van het toepasselijke wettelijke kader. Zeker in deze situatie, waarin AFM gerichte aanbevelingen heeft gegeven, had zij kennis hiervan moeten nemen en dit moeten toepassen in de herbeoordelingen. Als zij dat heeft gemist (of genegeerd) dan is dat verwijtbaar nalatig handelen. Als Rabobank haar zou hebben gezegd dat zij dit aspect niet hoeven te herbeoordelen, had dat aanleiding moeten zijn om óf de opdracht terug te geven aan de bank óf een zware disclaimer op te nemen waaruit de zeer beperkte scope van haar opdracht blijkt. En dat zou vervolgens voor de AFM een oorverdovende alarmbel zijn geweest.

Als een accountantskantoor die rol niet op deze manier heeft opgepakt, is zij mede verantwoordelijk voor het ‘onjuist en onvolledig’ uitvoeren van de herbeoordelingen. Als zij dus al onderdeel van het probleem was, kan zij niet nu onderdeel van de oplossing zijn. Het is zeer opmerkelijk dat een accountantskantoor in zo’n situatie bij een andere bank daarna weer in de herkansing kan gaan. Het zet in ieder geval grote vraagtekens bij de onafhankelijkheid en de deskundigheid. Althans, in ieder geval in het vertrouwen daarin.

Voor de leden van de Tweede Kamer is er dus voldoende aanleiding tot het stellen van verdere vragen.

 

 

Herstelkader rentederivaten mogelijk voor 7.000 derivaten te krap

AFM, Rentederivaten, Renteswaps

Op 5 juli 2016 heeft de Derivatencommissie het herstelkader rentederivaten gepresenteerd. Met dit herstelkader zal een grote groep ondernemers met een relatief kleine renteswap een goede compensatie krijgen voor de geleden schade. Met name de bezitters van zogenaamde ‘exotische producten’, zoals de Zero-Cost Knock In Collar, de Super Collar, etc., kunnen een stevige compensatie verwachten. Dat is zondermeer goed nieuws.

Maximumbedrag stap 3

Voor de ondernemers die een wat grotere renteswap hebben, vanaf ongeveer € 2,0 miljoen hoofdsom, zal het herstelkader minder positief uitvallen. In stap 3 van het kader is namelijk een maximum-bedrag gekoppeld aan de compensatie die klanten krijgen voor het feit dat banken onvolledig of zelfs onjuist hebben geadviseerd. Bijvoorbeeld doordat de bank een renteswap heeft geadviseerd, terwijl de Cap een veel beter alternatief was geweest. Of zelfs überhaupt geen renteswap. Die schade is afhankelijk van de hoofdsom en looptijd van de renteswap, maar de compensatie is echter gemaximeerd. Bij dat maximumbedrag is geen logische redenering te voeren, en dat is een tekortkoming in het herstelkader. Dat kan betekenen, dat deze groep ondernemers alsnog gedwongen wordt om naar de rechtbank te gaan om een adequate compensatie te krijgen. De vraag die nu veel wordt gesteld, is: hoe groot is de groep?

Omvang financieringen als maatstaf

Het exacte antwoord kan alleen worden gegeven door de banken, zij hebben inzicht in deze cijfers. Er is wel een onderzoek uit 2013 beschikbaar (“Verkenning MKB-financiering”, Commissie Hoek), aan de hand waarvan een eerste inschatting kan worden gemaakt. Dat onderzoek laat namelijk zien hoe de kredietverlening aan het MKB en de verdeling naar omvang van de financiering  is.

MKBkredietverlening

In totaal is € 170 mrd aan kredietverlening aan het MKB verstrekt; dat is namelijk het totaal van € 350 mrd minus de financieringen aan het grootbedrijf. Daarvan is vervolgens € 50 mrd financieringen met een omvang van tussen de € 3,0 –  € 10,0 mln. Daarnaast willen we weten hoeveel procent van de groep financieringen van € 1,0 – 3,0 mln boven de grens van € 2,0 mln zit, maar die cijfers zijn niet beschikbaar. Wanneer we aannemen dat de omvang van de financieringen in deze groep het evenredig is verdeeld, dan zou ongeveer één derde van die groep groter dan € 2,0 mln zijn. Ofwel, 1/3  van € 50 mrd betreft financieringen met een hoofdsom van € 2,0- 3,0 mln. Samen met de andere groep komt het totaal aan financieringen aan het MKB met een hoofdsom van meer dan € 2,0 mln op € 66 mrd. Gerelateerd aan het totaal van € 170 mrd is dat 38%.

Mogelijke beperking voor 38% van de rentederivaten

Vervolgens dient de vertaling te worden gemaakt van financieringen naar rentederivaten. Aangenomen mag worden, dat de hoofdsom van de renteswap sterk afhankelijk is van de hoofdsom van de onderliggende financiering. Wanneer we aannemen dat de verdeling van de hoofdsommen van de rentederivaten parallel loopt met verdeling van de hoofdsom van de financieringen, dan heeft 38% van de rentederivaten een hoofdsom van meer dan € 2,0 mln.

Volgens de berichtgeving gaat het momenteel om 19.000 rentederivaten die binnen de reikwijdte van het herstelkader vallen. Op basis van deze inschatting zouden dus ongeveer 7.000 rentederivaten een dusdanige hoofdsom hebben, dat het maximumbedrag uit stap 3 een beperking kan zijn voor een adequate compensatie. De mate waarin compensatie volgens het herstelkader in die gevallen tekortschiet, moet per individueel geval worden vastgesteld.

AD: ‘MKB-er misleid met renteswap’

AFM, Media, Rentederivaten, Renteswaps

ADBanken hebben bij de verkoop van rentederivaten aan het MKB vaak flinke marges gerealiseerd, terwijl de renteswap als een kosteloos product werd gepresenteerd. Bovendien had de renteswap daardoor al direct bij de start, op het moment dat de klant zijn handtekening onder de transactie had gezet, een negatieve waarde. Daarover zijn klanten nooit geïnformeerd.

Het AD schreef een artikel over deze marges, waarin berekeningen van Cadension worden gepresenteerd. Volgens die berekeningen maakten banken gemiddeld zo’n € 45.000 marge per ondernemer op de renteswaps. Dat is het equivalent van anderhalf maal een modaal jaarsalaris.

Het gehele artikel is via deze link te lezen: ‘MKB-er misleid met renteswap’

Friesch Dagblad: ‘Uitstel verjaring belooft weinig goeds’

AFM, Media, Rentederivaten, Renteswaps

In het Friesch Dagblad van 11 april werd een opinie van Patrick van Gerwen gepubliceerd, over het uitstel van verjaring dat de derivatencommissie met de banken is overeengekomen.

Lees hier het artikel : Friesch Dagblad 11 april 2016