AFM en banken ‘vergeten’ € 25 miljard

AFM, Rentederivaten, Renteswaps

AFMOp basis van een onderzoek dat AFM heeft gedaan bij de Nederlandse banken, is zij tot de conclusie gekomen dat er 17.000 rentederivaten zijn verkocht aan niet-professionele MKB-ers. De bijbehorende hoofdsom is € 26 miljard en de negatieve waarde is € 2,7 miljard.

Op de uitkomsten en insteek van het onderzoek is nog wel het nodige op te merken.

De AFM heeft het onderzoek toegespitst op bedrijven die door de banken als ‘niet-professioneel’ zijn geclassificeerd. Daar gelden omvangcriteria voor, zoals balanstotaal (max € 20 mln), omzet (max € 40 mln) en eigen vermogen (max € 2 mln). Als een onderneming op één van de criteria hoger zit, dan wordt hij als ‘professioneel’ geclassificeerd. Maar soms wordt een ‘niet-professionele’ onderneming (onterecht) toch als ‘professioneel’ ingedeeld. Dat heeft onder andere voor de bank als voordeel dat lagere zorgplichteisen van toepassing zijn. Dit is bijvoorbeeld bij een hogeschool gebeurd; in ruil voor het aanpassen van de classificatie naar ‘professioneel’, werd de hogeschool van de margin verplichting ontheven, die de hogeschool ernstig dwars zat. Dat kan een pragmatische oplossing zijn, als de betreffende klant zich maar realiseert dat hij daarmee zijn eigen positie ten opzichte van de bank verzwakt.

Veel belangrijker is echter de achterliggende reden voor deze classificaties. Het uitgangspunt is dat een als ‘professioneel’ geclassificeerde klant in staat is om zelfstandig een deskundige beoordeling te maken van een complex financieel product en de bijbehorende risico’s. De bank zou dan bij wijze van spreken niet meer hoeven te adviseren. In de praktijk blijkt echter dat een onderneming die volgens de formele omvangscriteria als ‘professioneel’ wordt bestempeld, in werkelijkheid qua deskundigheid op het gebied van rentederivaten vaak juist helemaal niet professioneel is. Daarom heeft AFM in haar rapport van februari 2014 de volgende terechte aanbeveling aan de banken gedaan: “Kwalificeer klanten als professionele of niet-professionele belegger op basis van inhoudelijke criteria, dus rekening houdend met de deskundigheid, en niet uitsluitend op basis van omvangcriteria.” AFM heeft dus blijkbaar ook geconstateerd, dat banken op dit vlak onjuist classificeren. Op basis van die eigen aanbeveling van AFM, had zij haar onderzoek bij de banken niet alleen moeten richten op niet-professionele geclassificeerde ondernemingen, maar ook op professionele. Het gaat erom of de klant daadwerkelijk voldoende deskundig is en of de bank haar zorgplicht voldoende heeft nageleefd. Ook ondernemingen die als ‘professioneel’ zijn geoormerkt, hadden dus moeten worden meegenomen in het onderzoek van AFM.

Dat AFM nu deze cijfers noemt, is op zijn minst opmerkelijk. In april 2014 gaf zij zelf in een reactie op het rapport van Cadension tegenover het Financieele Dagblad aan dat de cijfers uit dat rapport heel aardig kloppen. Daarin stond echter een hoofdsom van € 51,7 miljard en een negatieve waarde van € 3,9 miljard. Dat is een significant verschil. Hoe is dit verschil door AFM te verklaren? Het gekunstel met de classificatie professioneel/niet-professioneel zal daar zeker mee te maken hebben. Het risico hiervan hebben we in Engeland al kunnen zien. Daar zijn alle ‘professionele’ klanten volledig buiten de herstelacties gebleven. En dat is aanleiding voor een nieuwe ronde van schadeclaims. Het ligt voor de hand dat in Nederland hetzelfde zal gebeuren.